Het sprookje van het hart

Lang geleden was er eens een hart. Het hart was vol van liefde. Hij hield van alles om hem heen: de prachtige natuur, de diverse stenen, de schitterende sterren, de verwarmende zon… Het hart voelde er zoveel liefde voor, de liefde straalde gewoon uit zijn wezen. Die stralen bereikten op hun beurt al wat het hart zo liefhad. Ze streelden de blaadjes, de ruwe flank van de bergwand… Ze reikten zelfs tot de sterren en de zon. Deze verwarmende liefde deed al deze schepselen oplichten van blijdschap. In reactie straalden zij hun liefde terug naar het hart. Het hart baadde vol overgave in deze weelde van liefde, van het kleinste bloempje tot moeder Aarde zelf en ver daarbuiten.

Er kwam een moment, dat het hart meer wilde ervaren van deze bijzondere wezens om hem heen. O, als hij eens zou kunnen voelen hoe hun uiterlijk voelde! Hij begon hiernaar te verlangen. Hoe zou de rots voelen? En het gras? Fysiek zijn liefdesstralen over te brengen aan zijn vrienden- wat zou dat mooi zijn! Hij verlangde er zo naar, dat hij handen liet groeien aan zijn eigen wezen. Handen, met een gevoelige huid, om hun omgeving te betasten en verkennen. Hij stak een vinger uit en voelde een grassprietje. Miraculeus! Zo lang, dun en glad- maar toch ook niet. Zo fier overeind en toch zo buigzaam. Hij hield van het contact met de grasspriet, voelde zich nog meer overtuigd dat hij niet alleen op deze plek was. Zijn handen werden dapperder en tastten verder. Hij zette een vlakke hand op een grote steen. De steen was warm van de zon en voelde lekker glad aan, met hier en daar ribbeltjes. De steen vibreerde van plezier om dit tastbare contact. Enthousiast voelden de handen van het hart om zich heen.

Na een tijdje merkte het hart dat hij beperkt was in wat hij kon betasten. Hij was nog lang niet klaar met het nader kennismaken met zijn vrienden! Eerst maakte hij de reikwijdte van zijn handen groter, door armen te creëren. Dat hielp even. Algauw had hij echter door, dat de wereld nog veel groter was. Het hart zat stil te denken hoe hij toch bij de berg en het bos kon komen. Toen wist hij het: hij zou zich erheen bewegen, zijn hele wezentje, zodat hij overal met zijn handen kon voelen! Zo ontstonden twee benen en voeten, die het hart droegen naar waar hij maar wilde. Lange tijd was het hart vol van vreugde en voelde aan al zijn vrienden. Hij hield ervan de bast van de wilg te voelen, met al zijn groeven. Hij hield ervan de berg op te klimmen en het zachte mos aan te raken. Hij hield ervan om handen vol zand vast te houden en dan weer door zijn vingers te laten glijden. Wat had het hart een plezier met al deze wonderen om hem heen! En alles wat hij bezocht, beantwoordde zijn oprechte interesse en liefde steeds weer met hun terugkerende stralen van liefde. Ze vonden het erg fijn om erkend te worden en dat het hart zo in hen geïnteresseerd was.

Door al dat voelen ontstond er echter nog meer nieuwsgierigheid bij het hart. Hij wist nu hoe de stenen en het gras voelden, maar zou hij ze ook nòg beter kunnen leren kennen? En zou hij de berg ook kunnen waarnemen, terwijl hij hier op zijn eigen plekje zat? Misschien wel tegelijk met het gras en de stenen? Het was een puzzel. De zon bemerkte de overpeinzingen van het hart en stelde hem voor om te leren zien. De maan viel hem bij en meldde dat zij en de zon ervoor zorgen dat wezens kunnen zien. Dat doen ze met licht; met de stralen die zij op al wie onder hen leven laten rusten. Geboeid ontving het hart deze vriendelijke tips. Hij besloot te willen zien. Met zijn intentie vormde hij twee ogen, waarmee zijn wereld ineens veel groter werd. Nu kon hij tegelijk de berg, het gras en de stenen zien- en het bos en de zon en veel meer! En wat waren ze mooi! Voor het eerst zag hij hoe de wind golven in het gras veroorzaakte en de zon schitteringen in het water. Hij zag dat er bruine stenen waren, blauwe, groene en gele… Het hart ging van puur plezier nòg meer te gloeien van liefde. Hij leek wel een zonnetje, zoals hij straalde! De wezens om hen heen genoten van het schouwspel. Het hart keek zijn ogen uit.

Nu de zon en de maan het hart zo goed geholpen hadden, wilden de andere schepsels ook meedenken. Ze wilden het hart alle mogelijkheid geven om zijn liefde voor hen te ervaren. De vlier nodigde het hart uit om een neus te laten groeien- haar bloesems moesten beslist geroken worden! De beek vond dat oren noodzakelijk waren om zijn heerlijke geruis over de kiezels te horen. Hij liet zien dat het soms hard was, als de wind waaide, en soms heel zacht. Het hart was maar al te gretig om deze tips te ontvangen. Nu hij ervoer hoe heerlijk het was zijn liefde op verschillende manieren te delen, stond hij zeker open voor meer mogelijkheden! Maar een hart alleen, dat is lastig als je voeten en benen, oren, ogen enzovoort moet dragen en verzorgen. Daarom ontstond er gaandeweg een compleet plan: met spieren, een manier om energie uit eten te halen, een deel dat alles aanstuurde, … Het hart veranderde in een veel complexere vorm. Tussen zijn benen en armen vormde zich een romp. Zijn ogen, oren en neus werden gedragen door een hoofd. Uiteindelijk nam het hart de gestalte aan van een mens. Als mens straalde het hart als nooit tevoren, dankzij al die manieren om van zijn vrienden te houden en hun liefde terug te ontvangen.

Hij en zijn medeschepselen waren diep gelukkig met deze vorm van het hart. Het hart-mens klom in de wilg en luisterde naar het ruisen van diens blaadjes. Het ging zwemmen in de beek en rook aan de talloze, kleurrijke bloemen. Elke dag vond hij een nieuwe manier om met zijn geliefde medeschepsels te spelen. Geïnspireerd volgden daarna vele harten, die elk weer voor een net even andere uitvoering kozen. En van binnen bleven ze allemaal hart- zelfs meer dan ooit met al deze prachtige uitingsvormen.

Dit is mijn beeld van hoe de mens is ontstaan en wellicht alles dat leeft. Een uitingsvorm om elkaars liefde te waarnemen. Het is een sprookje, waarvan ik hoop dat de boodschap jouw hart ook mag laten stralen :-).