Cavia-kerstverhalen

Met: Idol, de cavia met de rare neus – drie geestige jongens – een bevalling in het hooi

Van 2001 tot en met 2010 had ik een caviaopvang (asiel voor cavia’s). Honderden cavia’s kwamen en gingen. Ieder met hun eigen karakter en levensverhaal. Ja, ook cavia’s kunnen boeiende levens leiden! Speciaal voor Kerst heb ik een aantal mooie verhalen gebundeld; ieder met hun eigen moraal. Veel leesplezier!

1. Idol, het gelukkige lelijk eendje

Idol kwam met een grotere groep cavia’s van een andere opvang. Deze had hen weer van een fokker, die erg slecht met de cavia’s omging. Zo bleek wel bij Idol (en vele anderen): hij had vitamine C gebrek opgelopen en was daardoor erg snel te mager. Bovendien had hij waarschijnlijk een middenoorontsteking gehad, want zijn kopje hing scheef en zijn coördinatie hield te wensen over.

Jongvolwassen was Idol, toen hij van zijn vieze, sombere huis naar een andere plek en toen heel snel wéér naar een andere plek verhuisde. Velen van zijn familie waren wit, maar hij had ook crème- en agoutikleur. Met een paar rare plukken op zijn rug. Zijn kopje hing scheef en vaak schatte hij niet goed in hoe hij iets moest doen, zodat hij bijvoorbeeld omviel. Gelukkig was er sinds die laatste plek zijn hokgenoot, Ingwaz. Wit en glad, zoals de rest. Zachtaardig, net als Idol. Er was eigenlijk nooit mot tussen hen, ze werden al snel dikke vriendjes. Er zat dan ook geen kwaad in Idol. Door zijn handicap en slechte start had hij veel geleerd van het leven. Waar een wil is, is een weg en het is maar net hoe je de dingen bekijkt. Een beetje scheef, bijvoorbeeld.

Idol voelde zich niet zo lekker toen hij aankwam in de opvang. Hij had honger en zijn lijfje deed zeer door de ondervoeding. De lekkere hapjes die hij nu kreeg verslond hij met passie. Toch bleef hij magertjes. Aan zijn wil lag het dus niet. Soms was hij zo enthousiast met zijn kopje omhoog bij het gaas aan het piepen (als het eten kwam), dat hij achterover viel.

Zoals elke Kerst, kwamen nu ook Piet en Marianne, hele lieve mensen, met een prachtig Kerstpakket vol lekkere groentes en snacks. De knaagstaaf was favoriet bij Idol. Met zijn wankele bewegingen wist hij zich toch op twee poten staande te houden, leunend tegen de knaagstaaf. Gewoon op vier voetjes blijven staan en dan eten was niet voldoende: hij moest de hele knaagstaaf vast hebben! Met een zwaaiend hoofdje en onhandige happen genoot hij van zijn Kerstdiner.

De winters waren koud, ook in de opvang, en het vrouwtje vreesde voor Idols gezondheid. Toen begon het speciale momentje tussen hen: Idol kreeg met een spuitje babyvoeding op sojabasis, tot yoghurtdikte aangelengd. Waar andere cavia’s hier wel eens moeite mee hadden, als ze bijgevoerd moesten worden, ging Idol er op zijn kenmerkend enthousiaste manier mee om. Eten is eten! Gretig beet hij in het spuitje en slurpte alles op. Het zal je niet verbazen dat hij probleemloos de winter doorkwam.

En de winters erna. Want niemand wilde Idol hebben. Die maffe magere, met die scheve kop. Het vrouwtje scheidde Ingwaz en Idol niet, dus bleef Ingwaz ook. Hun leven werd zo aangenaam mogelijk gemaakt. In de zomer hadden ze een buitenhuisje, mèt trappetje. Gezien Idols situatie waren trappetjes iets om voorzichtig mee om te gaan. Daar had ons blije ei echter geen aandacht voor. Hij zag elke ochtend vanuit zijn nachthok de grazige groene weide en wilde daar zo snel mogelijk zijn! Met als gevolg dat hij buitelend en struikelend op de grond belandde, in plaats van stap voor stap en met beleid. Het kon hem niet deren: zodra zijn bekje in bereik was van de grassprieten, begon hij gelukzalig te eten.

Idol bleef verscheidene jaren in de opvang en overleed toen zonder ziekteverschijnselen. Zijn levenslust en enthousiasme zijn me altijd bijgebleven. Ingwaz kreeg overigens een nieuw maatje.

Idol

2. Ibbeltje: het eenzame jongetje

Ibbeltje werd geboren bij een fokker die dierenwelzijn niet hoog op de prioriteitenlijst had staan. Het leven was zwaar voor het kleine witte beertje met de donkere oogjes. Niet lang na zijn geboorte kwam hij op een andere plek: een opvang. Daar was echter geen ruimte voor hem en zo belandde Ibbeltje met een aantal andere mannen (beren) bij mij in de opvang.

Ibbeltje was wat angstig zou het hier wel goed zijn? Een aantal weken ging voorbij en het bleek allemaal best mee te vallen. Ibbeltje had plezier in het lekkere, gezonde eten en kon het aardig vinden met zijn hokgenootje Harry. Harry was al groot en een stabiele, stoere man. Op een dag kwam er een mensenmoeder met haar zoontje in de opvang. Ze wilden een goede daad verrichten en Harry en Ibbeltje mee naar huis nemen! Dan zouden ze heerlijk alle mensenaandacht voor zichzelf hebben.

Hoe anders bleek de realiteit. Ondanks moeders goede wil, pakte het cavia avontuur niet zo positief uit.

Het zoontje was erg druk. Ibbeltje, van nature verlegen, vond dit heel moeilijk. Harry had hem wel verteld dat hij zich niet moest aanstellen, maar voor Ibbeltje voelde het niet als aanstellen. Hij schrok elke keer van het lawaai en het jongetje was wild met de cavia’s. Ibbeltje was vaak bang dat hij hem pijn zou doen. Hij keek met verbazing toe hoe Harry zich vrijwillig liet oppakken en zijn schoudertjes ophaalde over de onrust in huis. Ibbeltje voelde zich steeds onveiliger en eenzamer. Van pure ellende ging Ibbeltje zichzelf verwonden. Hij zocht een manier om zijn stress kwijt te kunnen en vond dit door zijn rug open te krabben. Op dat moment trok moeder een grens.

Zo gebeurde het dat Ibbeltje een aantal maanden later weer in mijn opvang belandde. Nog steeds klein van stuk, maar nu heel paniekerig en duidelijk van streek. Met een grote open wond op zijn rug. Moeder vertelde met spijt dat Ibbeltje niet met de hectiek in huis om kon gaan. Harry wel, dus die kon blijven.

Ibbeltje herkende de geluiden en geuren. Hij was hier al eerder gewest! Maar waarom was Harry niet bij hem? Hij was op dit moment zo gespannen dat hij nog zou schrikken van zijn eigen schaduw. Alleen in een hokje deed hij zijn best om te verdwijnen. Hij vermeed elk contact met mensen en durfde zich nauwelijks te laten zien. Hij wist niet goed wat hij met zichzelf aan moest. Hij wist dat het nu anders was, maar hoe moest hij zich dan nu gedragen? En hoe wist hij of het nu wel goed was?

Na acht jaar opvang handelde ik steeds meer vanuit intuïtie en zo ook in dit geval. Beren, als ze (bijna) volwassen zijn, kunnen vaak niet meer goed samen gekoppeld worden. Dan vechten ze elkaar de tent uit. Op het moment dat Ibbeltje terugkwam, had ik echter een leuk duo dat op straat gevonden was: volwassen Kenai en puber Taco. Een idee ontstond in mij, om Ibbeltje uit zijn cirkel van angst te halen.

Vlak na zijn komst in de opvang, werd Ibbeltje alweer uit zijn hok getild en in een afgezet stuk op de grond gezet. Hij schrok zich wild! Maar dat was nog niets vergeleken bij wat toen gebeurde: twee andere mannen kwamen het terrein op! Een grote bruine en een glimmende witte, van vergelijkbare leeftijd als Ibbeltje zelf. Nieuwsgierig kwamen ze bij hem kijken. Ibbeltje vond het doodeng en gilde het uit! Als het echt moest, volgens hem, beet hij ook van zich af. Hij keek toe hoe deze vreemdelingen daar laconiek mee omgingen. Liepen gewoon weer weg, om later nog eens te checken. Ze werden niet boos en vielen Ibbeltje niet aan. Hoe kon dit? Het draaide in zijn kleine koppie.

Samen met deze mannen kwam Ibbeltje in een nieuw, schoon hok. Godzijdank waren er weer huisjes om in te schuilen. Ibbeltje nam gelijk intrek in één van hen. Tot zijn frustratie bleven de twee mannen hem echter, beurtelings, opzoeken. Ze gingen dan naast hem zitten, terwijl Ibbeltje in alle talen uitriep dat hij alleen wilde zijn. Alles liever dan een pak voor z’n broek. Alleen dat pak voor z’n broek kwam maar niet. Die dagen erop volgde Ibbeltje vanuit zijn huisje hoe Kenai en Taco hun ding deden. Ze pakten eten aan van het mensenvrouwtje! Wow, wat een lef! En, net zo bijzonder: ze waren vrolijk. Liepen vaak te huppelen en te zingen. Zomaar. Ze verstopten zich niet, maakten geen ruzie. Het was zo anders! Langzaam maar zeker won Ibbeltjes nieuwsgierigheid het van zijn angst. Hij begon achteraan bij hun te staan, als ze eten aanpakten. Hij liet de mannen bij hem in de buurt komen en liep meer rond in het hok. Op een goeie dag durfde hij zelfs mee te huppelen! Opeens besefte hij: hier was het goed! Hij had twee lieve vrienden gevonden! Hoera!

Het was een prachtig proces om te zien: van een onzichtbare, angstige cavia veranderde Ibbeltje in een blij sociaal dier, dat met zijn vriendjes speelde en mij om eten durfde te vragen.

Na een aantal weken kwam er een mensenvrouw de opvang binnen. Ze wilde twee cavia’s adopteren, zo hoorden de mannen. Ze was vol interesse voor het trio, dat vrolijk bij het gaas kwam kijken. Ze viel voor hen en stelde haar doel bij: ach, drie cavia’s kan toch ook? Kenai, Taco en de kleine Ibbeltje, die nu geen wond meer op zijn rug had, werden in een doosje gezet. Op naar een nieuw leven. Vol persoonlijke aandacht, vrijheid, lekker eten en broederschap!

Taco (links) en Ibbeltje

3. Een overbevolkte herberg

Op een dag kreeg ik bericht van een zorgboerderij. Ze hadden cavia’s, maar het was een beetje uit de hand gelopen. Of ik een deel wilde overnemen? We spraken af dat ik alle vrouwtjes en jongen mee zou nemen, zodat er niets meer zwanger kon worden bij hun. Het werden 43 cavia’s, waarvan velen in de opvang bevielen van nestjes. Zo ook Pippa.

Pippa was moe en boos. Het was een drukte van jewelste binnen de gemetselde muurtjes van haar thuis. Mannen die vrouwen versierden, moeders die hun kroost bij elkaar probeerden te houden, noem maar op. Zelf was ze ook hoogzwanger en zat niet lekker in haar vel. Zoals de meesten hier, overigens. Velen zagen er onverzorgd of ronduit ziek uit. Zelf was Pippa grotendeels kaal. Door de stress en het onvolwaardige eten. Alles wat ze had, ging naar haar buik vol kindjes. Haar lichaam had niet de energie om haar hele lijf gezond te houden, dus viel het minste belangrijke, haar vacht, af. Het was een ellendig bestaan. Toen was er die ene dag.

Rillend in haar blootje zat Pippa middenin de hectiek, terwijl vreemde handen de ene na de andere soortgenoot oppakten. Sommigen werden weer teruggezet, anderen gingen mee. Kratjes vol cavia’s zag Pippa vertrekken, ook uit andere stenen hokken. Pippa werd algauw één van hen. Na een tijd in een reismand gezeten te hebben, kwam ze op een plek waar ze veel meer cavia’s rook en hoorde. Als dit maar goed kwam!

Er was een groot hok, bij een groot raam. Schoon zaagsel, vers hooi, groente, brokjes, … Het zag er prachtig uit! Alleen wéér al die andere cavia’s! Pippa werd er woest van. Moest ze nu alweer haar thuis delen met zoveel anderen?! Dat trok ze niet! Haar knoppen sloegen door, uit pure overleving. Hysterisch rende ze achter haar hokgenoten aan, allemaal ook in verwachting, terwijl ze hen in hun achterste probeerde te bijten. ‘Ophoepelen jullie!’ Dat ging even zo door, tot de vreemde handen haar weer oppakten en haar eindelijk haar eigen woning gaven. Alleen, in alle rust.

De weken die daarop volgden at Pippa als een bezetene. De vrouw van de vreemde handen reed hele kruiwagens vol gras en ander lekkers voor om Pippa en haar familie te voeden. Langzaam maar zeker zakte Pippa’s boosheid. Ze voelde zich niet meer zo slap, maar begon energie te krijgen. Haar haar groeide ook terug, wat een verademing was. Ze betrapte zichzelf soms zelfs op een vrolijke bui. Gelukkig maar, want toen was het tijd voor de bevalling…

Vijf kinderen. Levend en wel. Het was flink aanpoten, maar wat was Pippa blij dat ze haar kleintjes hier kon baren. Zonder door tig anderen omver gelopen te worden en met een sterk en gezond lijf. Pippa’s kinderen groeiden veel te snel op en kregen allemaal een goed thuis. Daarna mocht Pippa weer met andere dames samenwonen. Pippa was inmiddels een andere cavia: prachtige, glanzende borstelharen in drie kleuren, glimmende oogjes en een goed gemoed. Probleemloos liet ze zich nu door de groep opnemen. Ze waren eigenlijk heel aardig, die andere cavia’s. Er was genoeg ruimte en er waren schuilplekken om je terug te trekken. Pippa was nu een vrolijke cavia, die met enthousiasme meedeed in de dagroutine. Ze zal hier echter niet lang blijven.

Want, na enige tijd werd ook Pippa in een liefdevol gezin opgenomen. Ze ging ook daar samenwonen en nu wist ze dat ze dat kon. Sterker nog: nu wilde ze het ook!

Ik heb eerder cavia’s gehad die er zo slecht aan toe waren als Pippa. Een vergelijkbaar vrouwtje baarde vier dode jongen. Het is allemaal net op tijd goed gegaan met haar en haar jongen. Ik kan me verbazen over de wilskracht van zo’n klein diertje. En wat dit alles met het humeur doet…

Gezonde Pippa. Helaas, door een gecrashte laptop, geen voor-foto’s.

Schroom niet om deze cavia’s als je leraar te zien (zie mijn allereerste blog over leraren); wat kan jij van een cavia leren? Met die vraag laat ik jullie met plezier de feestdagen in gaan en wens jullie liefde en licht toe in deze periode en het jaar dat komen gaat!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *